DE NEDERLANDSE MIEREN nlmieren.nl
HOME- SITEMAP
BOSSEN
 

bos

Een gevarieerd bos met brede paden is rijk aan mieren. Venray (LI).

 


De mierenfauna van een bos beschrijven is geen gemakkelijke klus. Er zijn immers soorten bossen, die ook nog eens in leeftijd verschillen en door hun standplaats een eigen karakter hebben.

Van arm naar rijk
De armste bossen zijn beukenbossen en naaldbossen met een gesloten bladerdak. Daarin vinden we hooguit de soorten die we in vrijwel alle bostypen aantreffen: bossteekmieren Myrmica ruginodis en gewone drentelmieren Stenamma debile.
Als hier en daar wat zon op de bosbodem kan komen, zien we humusmieren Lasius platythorax, schaduwmieren L. umbratus en glanzende houtmieren L. fuliginosus.
Als het bos doorsneden wordt met brede paden of brandgangen en zijn er open plekken, dan neemt de diversiteit onmiddellijk toe: grauwzwarte renmieren Formica fusca, bosslankmieren Temnothorax nylanderi (in het oosten, midden en zuiden van ons land), T. albipennis (in de vaste land kustduinen), behaarde slankmieren Leptothorax acervorum, gewone steekmieren M. rubra en boommieren Lasius brunneus, terwijl de dichtheid van de eerder genoemde soorten toeneemt. Hetzelfde geldt voor bosranden, vooral op het zuiden georiënteerde bosranden.
Als er voldoende renmieren zijn, kunnen zich ook rode bosmieren Formica s.str. en bloedrode roofmieren F. sanguinea vestigen.
Kwetsbare soorten in bossen en bosranden zijn amazonemieren en reuzenmieren. Van de amazonemier Polyergus rufescens zijn nog slechts enkele vindplaatsen bekend. De amazonemier houdt van zonnige plaatsen en is afhankelijk van de aanwezigheid van renmieren. Ook van reuzenmieren Camponotus ligniperda zijn nog maar enkele vindplaatsen bekend. Reuzenmieren hebben dood hout nodig. Ze houden zich graag op langs bosranden en in open, lichte bossen.

Jonge bossen
Jonge bossen (jonger dan vijftig jaar) die niet grenzen aan bestaande bossen, zoals de bossen in de IJsselmeerpolders of bossen in doorgaans agrarische gebieden, zijn arm aan soorten. In de eerste plaats doordat jonge bossen niet voldoen aan de eisen die de soort aan zijn omgeving stelt, bijvoorbeeld de aanwezigheid van dood hout en een dikke humuslaag. In de tweede plaats omdat koloniseren door nieuwe soorten een moeizaam proces is. Het overbruggen van afstanden van meer dan vijf kilometer lijkt voor de meeste soorten onmogelijk. Transplanteren van stukjes oud, donorbos, dat wil zeggen transplantaten van humuslaag, strooisellaag, oude stammen en stronken, naar zo’n nieuw, acceptorbos, zal de mierensuccessie en die van meer bodemorganismen versnellen. Regiovreemde invloeden moeten voorkomen worden, vandaar dat men moet denken aan een dichtbijtransplantatie.
In een jonge bosaanplant overheersen wegmieren Lasius niger. Wegmieren geven de voorkeur aan gestoorde grond. Ook gewone steekmieren Myrmica rubra zijn algemeen in jong bos aanwezig. De wegmieren kunnen zich tientallen jaren lang langs de paden en bosranden handhaven, mits er maar zon op de kolonies valt. Gewone steekmieren stellen veel minder hoge eisen. Vochtigheid en weinig zon, kan hen niet deren. Binnen enkele jaren is het de dominante mierensoort in het bos en zal dit vele decennia lang blijven. Veel Nederlandse bossen hebben dan ook een relatief grote populatie gewone steekmieren. In oude bossen ontbreekt deze soort gewoonlijk.

Mieren dragen bij aan dynamiek in bos
Twee soorten mieren helpen de dynamiek in een bos bevorderen: de boommier en de glanzende houtmier. Het wijfje van de houtmier L. brunneus vestigt zich meestal in beschadigde bomen. Het soort beschadiging maakt niet uit. Als de schors maar ergens is verdwenen. Vaak dringen de wijfjes oude kevergaten binnen. De werksters graven vele gangen en kleine holten, waardoor achter de beschadigde plek een onzichtbare, steeds kwetsbaardere plek ontstaat. Bomen met bruine houtmieren kwijnen langzaam weg, maar dat kan tientallen jaren duren. Ook glanzende houtmieren L. fuliginosus (zie aldaar) kunnen bomen behoorlijk, inwendig, toetakelen. Vroeg of laat valt de boom om en sleurt in zijn val anderen mee. Zo ontstaan er open plekken in bossen. Plekken waar het bos zich verjongd. Mieren dragen bij aan het stervensproces van bomen en dus ook aan het verjongingsproces in bossen.

Mieren voorkomen plagen
Volgroeide mieren leven vooral van luizen(melk). De larven, die we het hele jaar in de nesten kunnen aantreffen, hebben eiwitten nodig. Daartoe zijn de werksters continu op zoek naar prooidieren. De gemakkelijkst te verkrijgen prooien verdienen de voorkeur. Als er dus een overvloed aan aanbod van een bepaalde soort is, bijvoorbeeld rupsen, zal daar hun voorkeur naar uitgaan. Doordat zij massaal rupsen verzamelen, krijgen de rupsen geen kans een plaag te vormen. Vanwege dit principe, zijn in de vorige eeuw geregeld bosmiernesten uitgezet. Niet alleen in Nederland, maar in heel Europa.

Zie ook de websitepagina kapvlakten.

Bronnen
Boer P 2008. Het inventariseren en monitoren van mieren (Hymenoptera: Formicidae). Nederlandse Faunistische Mededelingen 28: 17-34
[pdf]

 

bosrand

De grootste diversiteit vinden we aan bosranden. Het eenmalig per jaar maaien van de bermen voorkomt verruiging en verstruiking, waardoor de diversiteit optimaal blijft. Robbenoordbos (NH).

 
   
 

bosmiernest_bos

In een bos waar de zon de bodem hier en daar kan bereiken, is plaats voor rode bosmiernesten. Hier een koepelnest van de kale rode bosmier Formica polyctena. ix 2011, Ommen (OV).

 

 
   
   

 

 

Peter Boer; laatste update: 21.09.2013