DE NEDERLANDSE MIEREN nlmieren.nl
 
 
SITEMAP HOME
 
  INVENTARISEREN EN MONITOREN  
 

geleweidemiernesten

De groene cirkels bestaan uit vitaal, sappig gras, dat zich rondom de nestopeningen bevindt van gele weidemiernesten. Hier is niet te bepalen of dat vijf nesten zijn, of een groot nest met vijf nestopeningen. Foto: Arie Benschop.

satermiernest

Nesten van koepelbouwende bosmieren zijn vaak onopvallend. De groene plek in het midden duidt hier op de aanwezigheid van een satermiernest.

 

Bronnen
-Boer P 2008. Het inventariseren en monitoren van mieren (Hymenoptera: Formicidae). Nederlandse Faunistische Mededelingen 28: 17-34
-Bonte D, Dekoninck W, Provoost S, Cosijns E, Hoffmann M 2003. Microgeographical distribution of ants (Hymenoptera: Formicidae) in coastal dune grassland and their relation to the soil structure and vegetation. Animal Biology 53: 367-377.
Elmes GW 1973. Observations on the density of queens in natural colonies of Myrmica rubra L. (Hymenoptera: Formicidae). Journal of Animal Ecology 42: 761-771.
-Noordijk J, Colijn E, Smit J, Veling K & Vries MW de 2013. Begrazingsintensiteit en insectenrijkdom in heideterreinen. De Levende Natuur 114: 204-211.
-Seifert B 1986. Vergleichende Untersuchungen zur Habitatwahl von Ameisen (Hymenoptera: Formicidae) in mittleren und südlichen Teil der DDR. Abhandlungen und Berichte des Naturkundemuseums Görlitz 59 (5): 1-124.
-Seifert B 2007. Die Ameisen Mittel- und Nordeuropas. Lutra-Verlag.
-Westhoff V & Westhoff-DeJoncheere JN 1942. Verspreiding en nestecologie van de mieren in de Nederlandsche bosschen. Tijdschrift over Plantenziekten sep-oct 1942: 1-76.

 

Als je wilt weten welke mieren in een bepaald gebied voorkomen, dan is het noodzakelijk om op verschillende manieren te werk te gaan. In de pdf hierover wordt uitgebreid uitgelegd hoe dat aan te pakken.

Het tellen van mierennesten
Verschillende auteurs vermelden nestdichtheden. Seifert (2007) noemt nestdichtheden die gebaseerd zijn op zijn onderzoek in de voormalige DDR (Seifert 1986). In deze laatste publicatie beschrijft hij dat je in feite de grond helemaal af moet graven en moet doorzoeken om dat precies te kunnen bepalen. Hij kiest er echter voor om met zijn neus over het grondoppervlak naar mieren te speuren, vanwege de milieuschade die je in een dergelijk onderzoeksopzet aanricht. Het komt er dan op neer dat elke mierencluster die je ziet (dat kan er ook één zijn!) voor één mierennest staat. Ook Noordijk et al (2013) en Bonte et al (2003) hanteerden deze methode. Toch is deze manier van werken niet meer dan een schatting, die zowel in een onder- als overschatting kan resulteren.
Mieren met grote onderaardse nesten met uitgebreide gangenstelsels, zoals bij buntgrasmieren Lasius psammophilus, hebben meerdere nestopeningen. Een dergelijk nest wordt gemakkelijk als meerdere nesten gescoord.
De Myrmica-specialist Elmes strooide koekkruimels op het grondoppervlak en keek waar de Myrmica’s deze naar toebrachten. Voor hem was elke opening één nest. Ook hier moet sprake zijn van een overschatting, want Myrmica’s hebben lang niet altijd één nestingang.
Dezelfde Elmes (1973) stelt dat alle Myrmica rubra die hij onder een steen vond, ook tot een nest behoren. Ook dit is te kort door de bocht. Hoe groot is die steen? Onder een flinke kei kunnen wel twee nesten zitten. Maar anderzijds, een nest van deze steekmier kan zo groot zijn, dat er meerdere flinke stenen op kunnen liggen.
De meeste werkstermieren komen niet bovengronds. Dat doet slechts een deel van hen. De ene soort doet dat bij een hogere bodemtemperatuur (bijvoorbeeld Formica rufibarbis) dan de andere (bijvoorbeeld Lasius niger). De ene soort doet dat vooral ’s nachts (bijvoorbeeld Stenamma debile), de ander vooral overdag (bijvoorbeeld Formica rufa).Werksters van de ene soort komen slechts zelden (bijvoorbeeld Lasius flavus) of nooit (bijvoorbeeld Lasius umbratus) aan de oppervlakte, anderen geregeld (bijvoorbeeld Lasius niger). Nesten met weinig werksters, die bovendien weinig oppervlakte actief zijn, worden gemakkelijk over het hoofd gezien (bijvoorbeeld Myrmecina gramminicola). De meeste soorten zijn in april en mei veel actiever dan in augustus en september (eigen onderzoek).

De schraapmethode
Westhoff & Westhoff (1942) hebben een redelijk goede methode toegepast, namelijk de schraapmethode. Hierbij wordt de oppervlakte tot op een diepte van 10 cm afgeschraapt en alles wat daarin zit wordt nauwkeurig onderzocht. Seifert noemt deze ‘ideale’ methode ook, maar vindt deze niet verantwoord en te tijdrovend. Hij noemt een tijd van een half uur per m2. Westhoff & Westhoff hadden 2-10 uur per 50 m2  nodig. Zelf heb ik deze methode ook uitgeprobeerd. Ik had meer dan uur nodig per m2 als het oppervlak begroeid was. De verschillen in doorzoeksnelheid  zijn opmerkelijk. Hoe dan ook, ook deze methode is niet nauwkeurig. In de eerste plaats vanwege de beperkte grootte van het onderzochte oppervlak (één uitslag zegt dus niet zo veel), in de tweede plaats omdat bepaalde mierensoorten dieper zitten, zoals Lasius umbratus (zie: mierennesttypen) en in de derde plaats is mij gebleken dat als je een bodemmonster in een Berlese funnel doet (zie de pdf) je meer soorten tegenkomt dan als je op het oog alles doorzoekt. Dat komt onder andere doordat bepaalde soorten verstarren (bijvoorbeeld Hypoponera punctatissima) en soms in opgerolde toestand (zoals Myrmecina graminicola).

Tellen lukt dus niet?
Met andere woorden: er bestaat geen methode om nesten te tellen. De enige uitzondering vormen rode bosmieren, satermieren en bloedrode roofmieren, die hun nesten deels boven het maaiveld opbouwen en vanwege hun opbouw zichtbaar zijn. Maar ook deze methode is niet afdoende. Niet alle koepelbouwende mieren bouwen koepels en de koepels kunnen onttrokken zijn aan het zicht vanwege de hoogte van de vegetatie. Het overgrote deel van de rode bosmiernesten in het Robbenoordbos bijvoorbeeld, zijn in de zomer onzichtbaar vanwege de ruigte (bramen, riet, struweel) waarin de nesten zich bevinden. In een dergelijk geval moet de telling plaats vinden voordat bladvorming ons het zicht ontneemt. Maar dan is het weer oppassen geblazen. Je kunt in het vroege voorjaar clusters van mieren op de bodem zien, waardoor je geneigd ben te veronderstellen dat die cluster zich op het nest bevindt (zo staat het in het algemeen in de literatuur). Maar die cluster kan ook op het winternest zitten (geen koepel!) welke na enige weken is verlaten. De mieren zitten dan weer in het oorspronkelijke koepelnest.

 

 
 
Peter Boer, laatste update, 09.01.2014