DE NEDERLANDSE MIEREN nlmieren.nl
HOME- SITEMAP
HOE OVERWINTEREN MIEREN IN NEDERLAND?
 

De kans om mieren in de winter - buiten - tegen te komen is klein. Het is gewoon te koud. Mieren zijn koudbloedig, wat inhoudt dat hun lichaamstemperatuur omlaag gaat als het koud wordt. Het gevolg is dat hun stofwisseling omlaag. En dit leidt er weer toe dat de mieren niet actief (genoeg) kunnen zijn. Ze moeten dus ergens heen waar ze geen gevaar lopen, waar ze als kolonie stand kunnen houden.

In Siberië anders dan in Nederland ?
In het koude Siberië heeft men dit onderzocht. Zoals te verwachten gingen de meeste mieren voor de aankomende winter dieper de bodem in en hielden zich daar in kluitjes op in gangen en holtes. In Nederland is dat in het algemeen ook zo. De diepte heeft niets te maken met de te verwachte koude. In Siberië overwinterde behaarde slankmieren Leptothorax acervorum op 2-7 cm diepte, terwijl de gemiddelde temperatuur op die diepte min 25 graden is. De veel grotere sparrenreuzenmier Camponotus herculeanus overwintert op dezelfde diepte! Mieren die in Siberië veel dieper overwinteren, zoals de gewone satermier Formica exsecta, tot 130 cm diepte, hebben altijd nog te maken met een gemiddelde bodemtemperatuur op die diepte van min 15 graden. Met andere woorden: alle overwinterende mieren in Siberië, overwinteren bij temperaturen ver onder nul graden Celsius. Dat ze niet doodvriezen, komt door de aanwezigheid van antivries (suikers, glycerol of bepaalde polyolen) in hun lichaamsvocht.
In het veel warmere Nederland is dat niet anders. Bodemorganismen hebben minder te vrezen van vorst dan van vocht. Dat geldt ook voor mieren.

Wel of niet de diepte in?
Als je in de winter de steen op tilt, waarvan je weet dat er onder, in de zomer, een nest zit van de wegmier Lasius niger, zie je niets. De wegmieren zitten enkele decimeters dieper. Dat geldt ook voor buntgrasmieren Lasius psammophilus en andere mieren van het geslacht Lasius.
Toch gaan niet alle mieren de diepte in. Gewone steekmieren Myrmica rubra overwinteren bijvoorbeeld graag in de bovengrondse pollen van het pijpenstrootje. De temperatuur in die pollen is in de winter nauwelijks anders dan de temperatuur daarbuiten. In die pollen kunnen we ook andere overwinterende knoopmieren aantreffen.

Winternesten
Mieren van het geslacht Formica ‘bosmieren’ gaan nog het diepst de grond is. Dit is in Nederland net zo als in Siberië. Dus onafhankelijk van de strengheid van de winteromstandigheden. Gewoonlijk wordt gedacht dat de koepelbouwende rode bosmiersoorten zoals F. rufa, F. polyctena, F. pratensis en F. truncorum, en satermieren F. exsecta en F. pressilabris en bloedrode roofmieren F. sanguinea, in hun koepel overwinteren. Voor een deel is dit juist. Je kunt de werksters aantreffen in het zand onder de koepel of net daarboven. Groene spechten weten dat, zij graven of een diep gat in de koepel om bij de mieren te kunnen komen, of ze graven in het zand rondom de koepel, waar de mieren meer aan de oppervlakte overwinteren. Rode bosmieren graven vaak ook winternesten uit die meters van de koepel af kunnen liggen. Geregeld meer dan één winternest, hoewel je nauwelijks van een nest kan spreken, omdat het meer verticale gangen zijn met hier en daar iets ruimere holten.

winternestrufa

 

In clusters bij elkaar
Het omgekeerde komt ook voor. De glanzende houtmier Lasius fuliginosus bijvoorbeeld overwintert in het nest, in de door hen uitgeholde boomstam. Maar nesten kunnen zich ook in de bodem bevinden, in bunkers, kruipruimten en konijnholen. Dan wordt daarin overwinterd. Maar wat als ze geen nest hebben? Als ze puur als massa leven, zonder nest. In de massa bevinden zich de eieren en de larven. Iets dergelijks is bij Noordwest Europese mieren bepaald uniek. Toch bevond zich in de winter van 2015/2016 een dergelijk ‘nest’ in mijn houtstapel. De massa mieren zat hier dicht opeengepakt in een kluitje losse eikenbladeren. In de winter 2016/2017 bevond dezelfde massa zich tegen de onderkant van een balkje in een kleine holte in de grond. Niet groter dan een handpalm, met een massa van vele honderden mieren met larven.
Ook van boommieren wordt verondersteld dat ze in hun boomnesten leven, maar ook van deze soort vonden wij een overwinteringsnest onder een steen, in de aarde.

onder balk

Onder de balk (pijl) overwintert een cluster glanzende houtmieren (rechts).

cluster

Cluster van werksters en larven nadat de balk (links) is opgetild.
Bergen NH, xi 2016.

 

Exoten hebben lak aan vorst
Tenslotte zijn er opmerkelijke uitzonderingen. Het mag dan zo zijn dat mieren koudbloedig zijn en dus inactief in de winter, maar dit geldt niet voor de exotische Argentijnse mier Linopithema humile. Er is slechts één plaats in Nederland waar deze buiten (massaal) voorkomt. Daar zijn deze mieren zelfs rond het vriespunt waar te nemen. Je bent exoot, komt van oorsprong uit een regio zonder koude winters, dus is jouw biologische klok er niet op ingesteld om voor de winter een winterrustplaats te zoeken. Logisch. Maar hoe zit het dan met die stofwisseling?
Een andere exoot is de Atlantische dwergschubmier Plagiolepis schmitzii. Deze komt ook buiten voor. De vorst zorgt er niet voor dat deze subtropische soort in ons klimaat het loodje legt, terwijl de nestjes zich aan de oppervlakte en in bloembakken bevinden.

Bronnen
Berman DI, Alfimov AV, Zhigulskaya ZA & Leirikh AN 2010. Overwintering and Cold-Hardiness of Ants in the Northeast of Asia. Pensoft, Sofia-Moscow.
Boer P & Brooks M 2009. Succesvolle buitenshuis vestigingen van de Argentijnse mier Linepithema humile in Nederland (Hymenoptera: Formicidae). Nederlandse Faunistische Mededelingen 31: 17-23. [pdf]
Noordijk J & Boer P 2012. Vondst van een permanent grondnest van de boommier Lasius brunneus. Forum Formicidarum april 2012: 13-15. [pdf]


 

 

 

 

Peter Boer, laatste update: 16.11.2016